Besluit bodemkwaliteit

18 juli 2016

Inleiding

Het Besluit bodemkwaliteit (Besluit) brengt verschillende veranderingen ten opzichte van het oude bodembeleid met zich mee. Uit de evaluatie van het Bouwstoffenbesluit bleek dat de regels voor het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie erg versnipperd waren en een goede uitvoering en handhaving belemmerde.

In de praktijk is bovendien steeds vaker sprake van gebiedsgericht beleid en actief bodembeheer waarbij lokaal maatwerk het uitgangspunt is.

Doel van het landelijke bodembeleid is het bevorderen van duurzaam bodembeheer en het bieden van een eenduidig kader. Het Besluit geeft hieraan invulling. In het Besluit zijn de kaders beschreven die van toepassing zijn voor het toepassen van bouwstoffen, grond en bagger. De nadere invulling van deze kaders zijn beschreven in de Regeling bodemkwaliteit (Regeling).

Kwalibo

Kwalibo staat voor ‘kwaliteitsborging in het bodembeheer’ en is een maatregel om het bodembeheer te verbeteren. Kwalibo stelt eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer.

Het doel van kwalibo is de kwaliteit van de uitvoering te verhogen en de integriteit van de uitvoerende partijen te verbeteren, zodat beslissingen worden genomen op basis van betrouwbare bodemgegevens. Dit betekent dat bepaalde werkzaamheden alleen nog maar door erkende personen en bedrijven uitgevoerd mogen worden.

Bouwstoffen

Inleiding

Het Besluit stelt regels aan (steenachtige) bouwstoffen. In de meeste gevallen zal in de praktijk duidelijk zijn wanneer sprake is van een (steenachtige) bouwstof. In gevallen van tijfel kan gebruik worden gemaakt van de bepalingsmethode die via de Regeling is geregeld. Hiermee worden de percentages silicium, calcium of aluminium waaruit het steenachtige karakter kan worden afgeleid. Vlakglas, metallisch aluminium, grond en baggerspecie zijn in de definitiebepaling uitgezonderd van het begrip “bouwstof” en kunnen derhalve niet als een bouwstof worden toegepast.

In bouwstoffen kan grond zijn terechtgekomen. Bij bijvoorbeeld ontgravingen van bouwpuin voorafgaand aan het breken. Dit is niet een reden om de bouwstof direct af te keuren, aangezien grond en baggerspecie zijn uitgesloten van de definitie van een bouwstof. In het Besluit is gesteld dat een bouwstof niet meer dan 20 gew.% aan grond en baggerspecie mag bevatten.

Het Besluit is niet van toepassing wanneer bouwstoffen binnen worden toegepast en daarmee nooit kunnen leiden tot emissies richting de bodem of oppervlaktewater. Voorbeelden van dergelijke toepassingen zijn binnenmuren, toepassen van bouwstoffen de nooit buiten worden toegepast zoals gipsplaten.

Bouwstoffen die slechts in Nederland aanwezig zijn om te worden doorgevoerd naar een ander land, vallen ook niet onder het Besluit.

Het kan voorkomen dat bij onderhoudswerkzaamheden de bouwstof tijdelijk uit het werk worden gehaald, om vervolgens weer te worden teruggeplaatst in dat werk na afloop van de werkzaamheden. Indien de bouwstoffen hierbij niet worden bewerkt, mogen de bouwstoffen onder dezelfde condities worden teruggeplaatst, zonder dat het Besluit daaraan verdere verplichtingen verbindt. Een voorbeeld is het tijdelijk verwijderen en weer terugplaatsen van bestratingsmateriaal voor werkzaamheden aan kabels en leidingen.

Toepassing van bouwstoffen

In artikel 29 van het besluit zijn de voorwaarden gegeven die worden gesteld bij het toepassen van bouwstoffen. Materialen mogen in Nederland alleen als bouwstof worden toegepast, vervaardigd, geïmporteerd ed. worden wanneer deze voldoen aan de gestelde samenstellings- en emissie-eisen. Deze samenstenstellings- en emissie-eisen kunnen op diverse manieren worden bepaald. Hieraan is in de Regeling invulling gegeven.

Milieuhygiënische verklaring

Elke partij bouwstof dient te zijn voorzien van een milieuhygiënische verklaring. Deze verklaring geeft aan wat de kwaliteit wan de partij is. Indien deze verklaring niet aanwezig is, mag de partij niet worden toegepast. Het Besluit kent drie verschillende verklaringen waarin de kwaliteit van de bouwstof is vastgelegd, te weten een partijkeuring, een fabrikant-eigenverklaring of een kwaliteitsverklaring.

Grond en baggerspecie

Inleiding

Artikel 1 van het Besluit geeft invulling aan de diverse begrippen. Voor grond en baggerspecie worden de volgende definities gehanteerd:

Grond: Vast materiaal dat uit de bodem afkomstig is en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie.

Baggerspecie: Materiaal, vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte, dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Het Besluit stelt aanvullend de eis dat grond en baggerspecie maximaal 20% bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het bevoegd gezag mag voor specifieke toepassingen de toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal verlagen.

Nuttige toepassingen van grond en baggerspecie

Vanuit de Europese wet en regelgeving worden grond en baggerspecie beschouwd als een afvalstof. Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (KRA) is voor handelingen met afvalstoffen een inzamelingsvergunning vereist. Hiervan kan worden afgeweken indien invulling wordt gegeven aan artikel 11 van de KRA. Deze stelt namelijk dat lidstaten vrijstelling krijgen wanneer voorschriften worden opgesteld over het nuttig toepassen van deze afvalstoffen. Hierbij dienen maatregelen te worden getroffen dat de toepassing geen nadelige gevolgen hebben voor het milieu.

De invulling om af te wijken van artikel 11 van de KRA is uitgewerkt in artikel 35 van het Besluit. In het eerste lid van dit artikel zijn activiteiten benoemd die worden gekwalificeerd als nuttige toepassing.

Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen (van klei of geotextiel) of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast. Voor het toepassen van grond en baggerspecie is daarom geen sprake meer van toepassing in een werk (zoals in het oude Bouwstoffenbesluit), maar is sprake van bodemtoepassingen.

De volgende bodemtoepassingen zijn in het besluit benoemd:

  1. Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.
  2. Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid.
  3. Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal.
  4. Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;
  5. Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.
  6. Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen.
  7. Verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment.
  8. Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in oppervlaktewater.
  9. Tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Gebiedsspecifiek en generiek beleid

Het gebiedsspecifiek beleid geven lokale (water)bodembeheerders de mogelijkheid om de bodemkwaliteit te verbeteren door strengere normen te stellen, of om verontreinigde grond en baggerspecie op die plaatsen toe te passen waar dit volgens het generiek beleid niet mogelijk is. De Lokale (water)bodembeheerders stellen hierbij zelf bodemkwaliteitsnormen vast, waarbij op gebiedsniveau het standstill beginsel blijft gehandhaafd.

Wanneer geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld, geldt automatisch het generieke beleid. In het generieke beleid zijn generieke normen vastgesteld, waarbij het toetsingskader is gebaseerd op een klassenindeling voor kwaliteit en functie. Het uitgangspunt van het generieke beleid is dat de bodemkwaliteit moet aansluiten bij de functie van de bodem (wonen en industrie). De lokale (water)bodemkwaliteit mag op dit klassenniveau niet verslechteren.

Grootschalige toepassingen en verspreiding van baggerspecie

Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog twee andere categorieën van toepassingen, grootschalige toepassingen en de verspreiding van baggerspecie. Bij beide categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen.

Bij grootschalige toepassingen is meestal veel grond en baggerspecie nodig. Voorbeelden van grootschalige toepassingen zijn dijken, geluidswallen en (spoor)wegen.

Voor het verspreiden van baggerspecie van uit watergangen op aangrenzende percelen geldt nog steeds dat deze perceeleigenaren verplicht zijn de baggerspecie te ontvangen (acceptatieplicht). Het Besluit houdt deze acceptatieplicht in stand, waarbij de verspreidingsgrens van baggerspecie is verruimd van 20 meter vanaf de kant tot het gehele aangrenzende perceel.