Kaderrichtlijn water

18 juli 2016

Inleiding

De Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en het grondwater in 2015. Die doelstelling is verplicht, maar de weg ernaartoe wordt niet centraal gestuurd. Die mogen de lidstaten zelf invullen, mits ze er alles aan doen om de doelen te bereiken. De EU kan boetes opleggen aan lidstaten die de afgesproken doelen niet halen.

In 2015 moet het oppervlaktewater voldoen aan:

  • normen voor chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire stoffen)
  • ecologische doelstellingen: een gevarieerde planten- en dierenwereld en een natuurlijke inrichting

Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Ook moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.

Stroomgebieden

De Kaderrichtlijn Water gaat uit van een aanpak op het niveau van internationale stroomgebieden. De Nederlandse wateren horen tot de stroomgebieden van de Eems, de Rijn, de Maas en de Schelde. Alle wateren, dat wil zeggen rivieren, meren, kanalen, beken en sloten, worden in hun geheel bekeken. Zo voorkómen we dat een bovenstrooms gelegen partij beslissingen neemt die negatief uitpakken voor het benedenstroomse gebied.

Deze benadering is niet alleen relevant bij een grote, grens-overschrijdende schaal, maar ook op veel kleinere schaal.

Bij een kanaal, riviertje of beek die door meerdere gemeenten en waterschappen loopt, is een onderlinge afstemming nood-zakelijk. Kleine slootjes en overstorten die op een beek of kanaal uitkomen, beïnvloeden de waterkwaliteit van dat water.

Waterbodems en KRW

De waterbodem heeft op twee manieren invloed op dat aquatisch ecosysteem. Van oudsher is er aandacht voor nalevering van stoffen uit de waterbodem. Maar inmiddels is ook duidelijk dat de inrichting van het watersysteem invloed heeft op het ecologisch functioneren. Zowel zeer diepe plassen als vrijwel dichtgeslibte slootjes vormen zelden tot nooit tot een goed functionerend systeem. Nu de doelen met betrekking tot het aquatische ecosysteem in de KRW zijn vastgelegd moet worden bezien welken effecten dit heeft voor het waterbodembeleid

Verontreinigde waterbodems in Nederland zijn niet meer te beschouwen als een op zichzelf staande problematiek, maar maken deel uit van de opgave van de KRW voor het bereiken van een goede chemische en ecologische toestand van de Europese grond- en oppervlaktewateren. De beoordeling van de waterbodemkwaliteit zal verschuiven van een toetsing aan chemische sedimentnormen naar een evaluatie van de bedreiging die de waterbodemverontreiniging mogelijk kan vormen voor het behalen van de doelen van de KRW.

Bij een noodzaak tot spoedige sanering wordt door de initiatiefnemer (in overleg met bevoegd gezag) een afweging gemaakt of sanering op korte termijn kan plaatsvinden. Hiertoe wordt nagegaan of sanering op korte termijn een hoge milieuwinst oplevert vanwege sterke reductie van de risico’s voor de mens, het ecosysteem, het oppervlaktewater of het grondwater. Een sanering op korte termijn kan bijvoorbeeld nodig zijn om tijdig te kunnen voldoen aan de milieudoelstellingen van de KRW.

Bij genoemde afweging kan blijken dat eerst brongerichte maatregelen genomen moeten worden teneinde de waterkwaliteit te verbeteren, zodat voorkomen wordt dat bij de sanering sprake is van ‘dweilen met de kraan open’. Voor de periode tot aan de sanering kan het bevoegd gezag voorschrijven dat, voor zover zinvol en uitvoerbaar, tijdelijke beveiligingsmaatregelen worden getroffen om de effecten van de waterbodemverontreiniging te beperken, bijvoorbeeld een slibvang of oeverbescherming.

Vooralsnog kan de noodzaak tot sanering van waterbodems niet vastgesteld worden door rechtstreekse toetsing aan de chemische en de ecologische doelstellingen van de KRW. Hiertoe dient eerst besluitvorming plaats te vinden over de nadere invulling van deze doelstellingen. Mede daarom wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de interventiewaarden bij de vaststelling van de saneringsnoodzaak (i.e. een geval van ernstige waterbodemverontreiniging).

Vervolgens wordt aan de hand van het saneringscriterium bezien of de sanering met spoed dient te worden uitgevoerd. Hierbij wordt al wel gebruik gemaakt van de huidige inzichten over de wijze waarop invulling kan gegeven worden aan chemische en ecologische doelstellingen van de KRW.

Kortom, bij de vaststelling van de noodzaak tot spoedige sanering zijn niet de gehalten aan verontreinigende stoffen in de waterbodem bepalend, maar de risico’s (effecten) van de waterbodem voor het watersysteem en de gebruikers daarvan.