Waterwet

18 juli 2016

De overheid staat voor grote opgaven in het waterbeheer. Om het beheer van de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal. De Waterwet (het wetsvoorstel) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland:

  • Wet op de waterhuishouding
  • Wet op de waterkering
  • Grondwaterwet
  • Wet verontreiniging oppervlaktewateren
  • Wet verontreiniging zeewater
  • Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904)
  • Wet beheer rijkswaterstaatswerken
  • Waterstaatswet 1900
  • Wrakkenwet (via invoeringswetgeving wordt ook deze geïntegreerd)

Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan.

Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies straks beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water.

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld: geen afzonderlijke vergunningen meer, maar één watervergunning voor alle handelingen in het watersysteem. Voor de gebruiker betekent dit vooral minder administratieve handelingen. Voor het bevoegde gezag betekent het dat de vergunning aan álle aspecten van het waterbeheer moet worden getoetst.

Waterbodems in de Waterwet

Handelingen in een (verontreinigde) waterbodem worden op dit moment gereguleerd via het instrumentarium van de Wet bodembescherming. Dit instrumentarium is vooral gericht op de regulering van handelingen door derden terwijl handelingen in de waterbodem vooral in het kader van onderhoud en herinrichting van het watersysteem door de beheerder worden uitgevoerd. Het beheer van de waterbodem is integraal onderdeel van het watersysteembeheer. Deze is gericht op de doelstellingen van het waterbeheer. Deze doelstellingen zijn het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies voor het watersysteem. Met de komst van de Waterwet wordt het Wbb-instrumentarium verlaten. Het verbeteren van de gebiedskwaliteit wordt nu voorop gesteld.

De bescherming van enkel de milieuhygiënische kwaliteit staat dus niet langer centraal bij ingrepen in de waterbodem. Het is nog slechts één van de doelstellingen die, in samenhang met andere doelstellingen, behartigd moeten worden voor het watersysteem. Binnen de Waterwet wordt daarom ook een toetsingskader ontwikkeld die vaststelt of waterbodems het bereiken van een bepaalde gebiedskwaliteit wel of niet in de weg staan. Naast dit toetsingskader wordt een afwegingskader gebruikt. Hiermee worden ingrepen in de waterbodem overwogen tegen alternatieve maatregelen in het watersysteem. De gekozen maatregelen worden vervolgens vastgelegd in het beheerplan. In de Waterwet worden handelingen in de waterbodem niet meer op zichzelf beschouwd, maar zijn onderdeel geworden van de integrale taak van de beheerder om de doelstellingen van het waterbeheer te realiseren.

De praktijk

In het kader van beheertaken, verricht de beheerder handelingen met de waterbodem die gericht zijn op het verbeteren van de gebiedskwaliteit. Deze handelingen worden verantwoord in de plannen op grond van de Waterwet.

Beheerwerkzaamheden zijn onder te verdelen in het uitvoeren van onderhoud en herstel van waterstaatswerken en de aanleg en wijziging van waterstaatswerken. Onderhoud en herstel zijn er op gericht om het waterstaatswerk in overeenstemming te brengen met de legger. Het vaststellen van de legger is volgens de Waterwet een verplichting. Deze verplichting geldt voor zowel regionale wateren als voor rijkswateren. In de legger wordt de normatieve toestand van beheersobjecten in geografische, morfologische en hydrologische zin kenbaar. De legger beschrijft de vorm, constructie, afmeting of richting van waterstaatswerken. Dit houdt in dat niet alleen de (vaar)diepte of ligging van waterkeringen worden vastgelegd, maar ook elementen als natuurvriendelijke oevers of baggerspeciedepots. Voor onderhoud en herstel van een waterstaatswerk is een vergunningplicht overbodig. Het betreft namelijk een wettelijke vastgelegde taak van de beheerder.

De aanleg of wijziging van een waterstaatswerk leidt tot wijziging van de vorm, constructie, afmeting of richting van waterstaatswerken, zoals die op de legger zijn weergegeven. Voor deze werkzaamheden moet op grond van de Waterwet voorafgaand een projectplan vastgesteld worden.

Bij werkzaamheden in de waterbodem kunnen bijkomstige lozingen optreden. Op dit moment is hiervoor een vergunning vereist in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Deze lozingen hebben meestal betrekking op gebiedseigen baggerspecie die van beperkte omvang en duur zijn. De wens is om de vergunningplicht voor deze lozingen op te heffen. Het Waterbesluit bevat daarom een vrijstelling van de vergunningplicht voor lozingen als direct gevolg van ontgravingen of baggerwerkzaamheden.